De hoge brandstofkosten beginnen steeds nadrukkelijker door te werken in de bedrijfsvoering van schoonmaakbedrijven. Vooral kleinere ondernemingen, die dagelijks met bedrijfswagens van klant naar klant rijden, merken dat een steeds groter deel van hun budget opgaat aan benzine. Geld dat aan de pomp wordt uitgegeven, kan niet meer worden geïnvesteerd in personeel, opleidingen, materialen of verduurzaming.
Mobiliteit is binnen de schoonmaakbranche vaak onvermijdelijk. Medewerkers werken regelmatig op meerdere locaties per dag, terwijl materialen en machines moeten worden vervoerd. Anders dan bij kantoorwerk is thuiswerken geen alternatief. De schoonmaker moet fysiek bij de opdrachtgever aanwezig zijn.
Juist daardoor komen hogere brandstofkosten rechtstreeks bij schoonmaakondernemers terecht. Een paar cent extra per liter lijkt misschien beperkt, maar bij meerdere bedrijfswagens die dagelijks tientallen of soms honderden kilometers afleggen, kan het op jaarbasis om aanzienlijke bedragen gaan.
Marges staan onder druk
Dat komt bovenop andere kostenstijgingen waarmee de sector wordt geconfronteerd. Lonen vormen verreweg de belangrijkste kostenpost binnen de arbeidsintensieve schoonmaakbranche. Daarnaast betalen ondernemers voor verzekeringen, bedrijfsmiddelen, schoonmaakproducten, energie en administratie.
Vooral bij bestaande contracten kunnen hogere kosten lastig zijn. Een schoonmaakbedrijf kan een stijging van de benzineprijs immers niet altijd direct doorberekenen aan een opdrachtgever. Wanneer tarieven voor langere tijd zijn afgesproken, moet de ondernemer de extra kosten in eerste instantie zelf opvangen. Daarmee komt de marge verder onder druk te staan.
Minder ruimte om te investeren
Het gevaar is dat ondernemers vervolgens op andere uitgaven moeten besparen. De aanschaf van een nieuwe schoonmaakmachine wordt uitgesteld, een bedrijfswagen wordt langer gebruikt of investeringen in elektrische voertuigen worden vooruitgeschoven. Ook budgetten voor opleidingen en innovatie kunnen onder druk komen te staan.
Dat zorgt voor een tegenstrijdige situatie. Van schoonmaakbedrijven wordt steeds vaker verwacht dat zij verduurzamen, elektrisch gaan rijden en investeren in moderne en ergonomische hulpmiddelen. Daarvoor is echter financiële ruimte nodig. Wanneer een steeds groter bedrag aan dagelijkse mobiliteit wordt besteed, wordt die ruimte kleiner.
Voor kleine en middelgrote schoonmaakbedrijven kan het effect relatief groot zijn. Zij beschikken doorgaans over minder financiële buffers en hebben minder mogelijkheden om prijsstijgingen over een groot aantal contracten te spreiden.
Opdrachtgever moet naar totale kosten kijken
De ontwikkeling maakt het bovendien belangrijker om bij nieuwe contracten goed naar mobiliteitskosten te kijken. Niet alleen het aantal schoonmaakuren bepaalt immers wat een opdracht werkelijk kost. Ook de afstand tussen locaties, het aantal vervoersbewegingen en de inzet van bedrijfswagens spelen een rol.
Een opdrachtgever die uitsluitend naar het laagste uurtarief kijkt, gaat daarmee voorbij aan de werkelijke kosten waarmee een schoonmaakbedrijf wordt geconfronteerd.
Voor ondernemers wordt het daarom steeds belangrijker om bij offertes en contractbesprekingen duidelijk te maken wat mobiliteit kost en afspraken te maken over forse kostenstijgingen.
Want uiteindelijk moet iedere euro ergens vandaan komen. Als de rekening aan de pomp verder oploopt en die kosten niet kunnen worden doorberekend, blijft er binnen het schoonmaakbedrijf simpelweg minder geld over voor andere zaken. En juist daar kan de hoge benzineprijs uiteindelijk veel harder worden gevoeld dan alleen bij het tankstation.
Tekst SIEV Dagblad