De schoonmaakbranche staat aan de vooravond van nieuwe kostenstijgingen. Vanaf 1 januari 2027 gaan de basisuurlonen van schoonmaakmedewerkers met 3,1 procent omhoog. Daarnaast wordt de reiskostenvergoeding verruimd. Voor schoonmaakondernemers betekent dit dat zij hun kostprijsberekeningen opnieuw tegen het licht moeten houden. Vooral voor kleinere en middelgrote bedrijven kan de stijging gevolgen hebben voor de winstmarges en de tarieven die zij aan opdrachtgevers berekenen.
De loonstijging maakt onderdeel uit van de afspraken binnen de cao Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Daarmee wordt opnieuw een stap gezet in de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van schoonmaakmedewerkers. Tegelijkertijd brengt de verhoging financiële uitdagingen met zich mee voor werkgevers, die de afgelopen jaren al te maken kregen met stijgende lonen, hogere sociale lasten en toenemende bedrijfskosten.
De stijging van 3,1 procent lijkt op het eerste gezicht overzichtelijk, maar de werkelijke kostenverhoging voor werkgevers ligt hoger. Over het brutoloon worden immers ook werkgeverslasten betaald, waaronder premies voor sociale verzekeringen, pensioenbijdragen en reserveringen voor vakantiegeld en vakantiedagen.
Daar komt bij dat de reiskostenvergoeding wordt verruimd. Voor schoonmaakbedrijven met medewerkers die dagelijks verschillende locaties bezoeken of relatief grote afstanden afleggen, kan dit een aanzienlijke extra kostenpost betekenen. Vooral arbeidsintensieve schoonmaakcontracten zijn gevoelig voor deze ontwikkelingen. In de reguliere schoonmaak vormen personeelskosten verreweg het grootste deel van de totale kostprijs. Een relatief beperkte loonstijging kan daardoor direct invloed hebben op het financiële resultaat van een opdracht.
Ondernemers doen er verstandig aan om niet uitsluitend de verhoging van de basisuurlonen door te berekenen, maar de volledige kostprijs opnieuw vast te stellen. Daarbij moeten ook de ontwikkeling van sociale premies, ziekteverzuim, vervangingskosten, pensioenlasten, opleidingen en overige personeelsgerelateerde uitgaven worden meegenomen.
Een belangrijk aandachtspunt vormt de indexering van bestaande contracten. Niet iedere overeenkomst biedt dezelfde mogelijkheden om gestegen kosten automatisch door te berekenen. Bij sommige contracten is sprake van een jaarlijkse prijsaanpassing, terwijl bij andere overeenkomsten specifieke afspraken zijn gemaakt over loon- en kostenontwikkelingen.
Voor het midden- en kleinbedrijf binnen de schoonmaakbranche is dit een belangrijk vraagstuk. Kleinere ondernemingen beschikken doorgaans over minder financiële reserves om onverwachte kostenstijgingen op te vangen. Bovendien is hun onderhandelingspositie tegenover grote opdrachtgevers niet altijd even sterk.
Ook bij nieuwe aanbestedingen verdienen de kostenontwikkelingen extra aandacht. Ondernemers die inschrijven op contracten die in 2027 ingaan, moeten rekening houden met de nieuwe loonafspraken en de verwachte werkgeverslasten. Een te lage inschrijfprijs kan gedurende de contractperiode moeilijk worden gecorrigeerd.
Tegelijkertijd blijft de schoonmaakbranche afhankelijk van voldoende gekwalificeerd personeel. Betere arbeidsvoorwaarden kunnen bijdragen aan het aantrekken en behouden van medewerkers. In een arbeidsmarkt waarin personeelstekorten een terugkerend probleem vormen, is dat een belangrijk voordeel. Daar staat tegenover dat opdrachtgevers steeds kritischer naar hun facilitaire uitgaven kijken. Schoonmaakbedrijven zullen daarom duidelijk moeten kunnen uitleggen waarom prijsaanpassingen noodzakelijk zijn en hoe deze samenhangen met cao-afspraken en wettelijke verplichtingen. De komende maanden worden voor schoonmaakbedrijven dan ook belangrijk. .
Tekst: Redactie SIEV Dagblad.