De nieuwe cao in de schoonmaak zorgt ervoor dat het basisuurloon in loongroep 1 vanaf 1 januari 2027 begint bij €16. Voor werknemers is dat goed nieuws, maar voor schoonmaakondernemers is het belangrijk om verder te kijken dan alleen dat bedrag. Een medewerker die €16 bruto per uur verdient, kost een werkgever uiteindelijk aanzienlijk meer.
De sociale lasten voor 2027 zijn inmiddels voorlopig in kaart gebracht. Verschillende werkgeverspremies gaan omhoog. Zo stijgt de gemiddelde WIA-basispremie van 7,25 naar 7,76 procent. De sectorpremie voor de WGA gaat van 2,84 naar 3,10 procent. De premie voor ZW-flex daalt daarentegen licht van 1,36 naar 1,33 procent.
Ook de werkgeversbijdrage voor de Zorgverzekeringswet stijgt, van 6,10 naar 6,27 procent. De RAS-heffing gaat volgens het voorlopige overzicht van 1,20 naar 1,51 procent. Het pensioenpercentage van 10,70 procent blijft gelijk, waarbij moet worden bedacht dat pensioenpremie alleen over het salaris boven de geldende franchise wordt berekend.
Wat betekent dat nu voor een schoonmaker met een bruto uurloon van €16?
Alleen al wanneer enkele belangrijke werkgeverslasten indicatief bij elkaar worden opgeteld, komt boven op het brutoloon een aanzienlijk percentage. Daarbij gaat het onder meer om premies voor arbeidsongeschiktheid en ziekte, WW, zorgverzekering, pensioen en de RAS. De exacte uitkomst verschilt per werkgever en werknemer. Zo is de WW-premie afhankelijk van het soort arbeidsovereenkomst en kunnen WGA- en ZW-premies per onderneming verschillen.
Een eenvoudig sommetje van €16 plus een vast percentage sociale lasten geeft daarom geen betrouwbare totale kostprijs. Naast werkgeverspremies krijgt een schoonmaakbedrijf immers ook te maken met vakantiegeld, vakantie- en verlofuren, ziekteverzuim, opleidingen, werkkleding, administratie en andere bedrijfskosten.
Daar komt vanaf 2027 nog iets belangrijks bij. Veel meer schoonmakers krijgen recht op een reiskostenvergoeding. Die vergoeding gaat naar €0,25 per kilometer. Voor bedrijven met medewerkers die dagelijks naar verschillende objecten reizen, kan dat op jaarbasis behoorlijk aantikken.
Ook krijgen werknemers die twintig branchejaren bereiken onder voorwaarden een eenmalige loyaliteitsbonus van maximaal €1.000 bruto. Voor werkgevers zijn dat eveneens kosten waarmee rekening moet worden gehouden.
Vooral kleinere schoonmaakbedrijven moeten daarom goed naar hun bestaande contracten kijken. Een opdrachtgever die alleen naar het nieuwe uurloon van €16 kijkt, ziet slechts een gedeelte van de werkelijke kostenstijging.
Stel dat een ondernemer een medewerker voor €16 per uur betaalt en bij de opdrachtgever bijvoorbeeld €27 of €28 per gewerkt uur in rekening brengt. Het verschil van €11 of €12 is bepaald niet automatisch winst. Uit dat bedrag moeten alle werkgeverslasten, niet-productieve uren, organisatiekosten en overige bedrijfskosten worden betaald. Pas wat daarna resteert, vormt de marge.
Juist in een arbeidsintensieve sector als de schoonmaak kunnen enkele procentpunten verschil grote gevolgen hebben. Bij tien, twintig of vijftig medewerkers gaat een relatief kleine kostenstijging al snel over duizenden euro’s per jaar.
Schoonmaakbedrijven doen er daarom verstandig aan hun kostprijs voor 2027 opnieuw volledig door te rekenen voordat nieuwe tarieven met opdrachtgevers worden afgesproken. Daarbij moeten niet alleen de hogere lonen worden meegenomen, maar ook sociale lasten, reiskosten en andere cao-verplichtingen.
Een uurtarief dat in 2026 nog voldoende marge opleverde, hoeft dat vanaf 1 januari 2027 niet meer te doen. En uiteindelijk is dát voor ondernemers de belangrijkste rekensom: niet wat een schoonmaker bruto verdient, maar wat één daadwerkelijk gewerkt schoonmaakuur het bedrijf onderaan de streep kost.
Tekst: Redactie SIEV Dagblad.