Langdurig ziekteverzuim kan voor een klein of middelgroot schoonmaakbedrijf een flinke financiële tegenvaller worden. Een werkgever betaalt bij ziekte maximaal twee jaar het loon door, terwijl het schoonmaakwerk bij de klant ondertussen gewoon uitgevoerd moet worden. Daardoor kan een ondernemer feitelijk twee keer voor dezelfde arbeidsplaats betalen.
Het kabinet wil daarom verder werken aan maatregelen die de verplichtingen rond langdurige ziekte beter uitvoerbaar moeten maken. Daarbij gaat het niet alleen om bescherming van werknemers die ziek worden, maar ook om de vraag hoeveel financiële risico’s vooral kleinere werkgevers nog kunnen dragen.
Voor de schoonmaakbranche is dat een belangrijk onderwerp. Personeel vormt een groot deel van de kosten van een schoonmaakbedrijf. Valt een medewerker langdurig uit, dan verdwijnt het werk immers niet. Kantoren moeten worden schoongemaakt, scholen moeten de volgende ochtend weer schoon zijn en ook bij zorginstellingen, winkels en andere opdrachtgevers moeten de afgesproken werkzaamheden doorgaan.
De ondernemer moet dus vervanging regelen. Dat kan betekenen dat collega’s extra uren maken, een invalkracht wordt ingeschakeld of een nieuwe werknemer moet worden aangenomen. Tegelijkertijd lopen de loonkosten voor de zieke medewerker door.
Daar komen de kosten en tijd voor verzuimbegeleiding, de arbodienst, re-integratie en administratie nog bovenop. Vooral bij kleinere schoonmaakbedrijven kan één langdurig ziektegeval daardoor al een behoorlijke invloed hebben op het bedrijfsresultaat.
Een ondernemer kan deze extra kosten bovendien meestal niet zomaar bij de opdrachtgever neerleggen. Voor een schoonmaakcontract zijn afspraken gemaakt over werkzaamheden en tarieven. Wanneer halverwege het contract een medewerker langdurig ziek wordt, kan het schoonmaakbedrijf niet automatisch een hogere rekening sturen.
Daar zit voor de sector een belangrijk probleem. Schoonmaakbedrijven moeten hun verplichtingen tegenover werknemers nakomen, maar tegelijkertijd ook hun afspraken met klanten. Een opdrachtgever verwacht terecht dat het afgesproken schoonmaakprogramma wordt uitgevoerd, ongeacht ziekte binnen het schoonmaakteam.
Bij meerdere langdurig zieke medewerkers kan de druk snel verder oplopen. Niet alleen financieel, maar ook organisatorisch. Roosters moeten worden aangepast en andere werknemers worden gevraagd om gaten op te vullen. Wanneer dat langere tijd duurt, bestaat bovendien het risico dat de werkdruk voor de overige medewerkers stijgt.
Het probleem speelt extra sterk in een branche waarin het niet altijd eenvoudig is om snel nieuwe medewerkers te vinden. Een vervanger moet beschikbaar zijn, op de juiste tijden kunnen werken en soms ook aan specifieke eisen van een opdrachtgever voldoen.
De lange periode waarin een werkgever financieel verantwoordelijk blijft, kan daarnaast invloed hebben op het personeelsbeleid. Een ondernemer die een nieuwe medewerker een vast contract wil aanbieden, weet tegelijkertijd welk financieel risico hij aangaat wanneer deze werknemer langdurig uitvalt.
Daarmee ontstaat een merkwaardige tegenstelling. Nederland wil werknemers meer zekerheid bieden met vaste arbeidscontracten, maar werkgevers kunnen juist terughoudend worden met die vaste contracten wanneer de risico’s bij ziekte te groot worden.
Het kabinet zoekt daarom naar mogelijkheden om vooral kleinere werkgevers eerder duidelijkheid te geven wanneer een werknemer langdurig ziek is. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de re-integratie in het tweede ziektejaar en naar meer zekerheid voor werkgevers over de vraag of zij voldoende hebben gedaan om een werknemer weer aan het werk te krijgen.
Voor schoonmaakondernemers kan juist die voorspelbaarheid belangrijk zijn. Zij moeten kunnen plannen. Niet alleen voor volgende week, maar ook voor de langere termijn. Wie blijft een locatie schoonmaken? Moet er iemand worden aangenomen? Kan een vervanger een vast contract krijgen? En hoeveel geld moet worden gereserveerd wanneer een medewerker langdurig uitvalt?
Het antwoord op die vragen is voor een groot schoonmaakconcern wellicht gemakkelijker op te vangen dan voor een ondernemer met tien, twintig of vijftig medewerkers. Bij een klein personeelsbestand weegt iedere langdurig zieke werknemer relatief zwaar.
De discussie over twee jaar loondoorbetaling raakt daarom rechtstreeks aan de dagelijkse praktijk van veel ondernemers. Zij willen goed werkgeverschap bieden en werknemers bij ziekte ondersteunen, maar moeten tegelijkertijd hun bedrijf financieel gezond houden.
Een betere balans tussen bescherming van de werknemer en een beheersbaar risico voor de werkgever kan uiteindelijk beide partijen helpen. Want wanneer ondernemers minder terughoudend hoeven te zijn vanwege de mogelijke gevolgen van langdurige ziekte, wordt ook de stap naar het aanbieden van een vast arbeidscontract kleiner.
Tekst: Redactie SIEV Dagblad.