De schoonmaakbranche staat aan de vooravond van een nieuwe ronde prijsverhogingen. Voor 2027 wordt rekening gehouden met een kostenstijging van ongeveer zes procent. Hogere cao-lonen, stijgende reiskosten en toenemende sociale lasten zorgen ervoor dat vooral kleinere schoonmaakbedrijven hun tarieven opnieuw moeten berekenen. Toch blijkt het in de praktijk niet altijd eenvoudig om opdrachtgevers te overtuigen van de noodzaak om hogere prijzen te accepteren.
Voor veel schoonmaakondernemers is het jaarlijkse gesprek over prijsaanpassingen inmiddels een terugkerende uitdaging. Opdrachtgevers willen de kosten zoveel mogelijk beperken, terwijl werkgevers worden geconfronteerd met uitgaven waarop zij nauwelijks invloed hebben. Juist in een arbeidsintensieve sector als de schoonmaak kunnen relatief kleine veranderingen in de loonkosten grote gevolgen hebben voor de winstgevendheid.
De nieuwe cao-afspraken spelen daarbij een belangrijke rol. Per 1 januari 2027 stijgen de basisuurlonen in de schoonmaakbranche met 3,1 procent. Het uurloon in loongroep 1 komt daarmee uit op 16 euro. Daarnaast bedraagt de kilometervergoeding voor zakelijke reiskosten 25 cent.
Ook de premie voor de Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (RAS) stijgt. Deze gaat van 1,20 procent naar 1,43 procent van de premieplichtige loonsom. Voor een schoonmaakbedrijf met een loonsom van 500.000 euro betekent dit een jaarlijkse premie van 7.150 euro, tegenover 6.000 euro bij het oude percentage. Alleen deze wijziging zorgt al voor 1.150 euro aan extra werkgeverslasten.
Daar komen andere kostenontwikkelingen bij. Denk aan verzekeringen, bedrijfsmiddelen, opleidingen, administratieve verplichtingen en de kosten van vervanging bij ziekte. Ook de invoering van de loyaliteitsbonus voor werknemers met een langdurig dienstverband in de branche kan gevolgen hebben voor de financiële planning.
Voor grotere schoonmaakbedrijven zijn dergelijke kostenstijgingen soms gemakkelijker op te vangen door schaalvoordelen en spreiding over meerdere opdrachten. Kleinere ondernemers beschikken doorgaans over minder financiële buffers. Zij zijn vaak afhankelijk van een beperkt aantal opdrachtgevers en kunnen daardoor terughoudend zijn met het doorvoeren van prijsverhogingen.
Dat brengt risico’s met zich mee. Een schoonmaakbedrijf dat de tarieven jarenlang onvoldoende aanpast, kan uiteindelijk terechtkomen in een situatie waarin opdrachten nauwelijks nog winst opleveren. Het bedrijf blijft dan wel verantwoordelijk voor de betaling van salarissen, vakantiegeld, pensioenpremies en andere wettelijke verplichtingen.
De vraag is daarom niet alleen of een prijsverhoging wenselijk is, maar vooral hoe ondernemers deze overtuigend kunnen onderbouwen.
Een goede voorbereiding begint met een transparante kostprijsberekening. Werkgevers doen er verstandig aan om de verschillende kostenontwikkelingen afzonderlijk inzichtelijk te maken. Daarmee wordt duidelijk welk deel van de tariefsverhoging voortkomt uit cao-afspraken, welke kosten door hogere werkgeverslasten ontstaan en welke overige bedrijfskosten zijn gestegen.
Voor opdrachtgevers is een dergelijke onderbouwing vaak overtuigender dan een algemene mededeling dat de schoonmaakprijzen met zes procent omhooggaan.
Een rekenvoorbeeld maakt de gevolgen inzichtelijk. Een schoonmaakbedrijf dat jaarlijks 100.000 euro factureert aan een opdrachtgever, zou bij een tariefaanpassing van zes procent uitkomen op 106.000 euro. Dat betekent 500 euro extra per maand. Wanneer de kostenstijging onvoldoende wordt doorberekend, moet de ondernemer het verschil uit de bestaande marge betalen.
Daarbij is het belangrijk te benadrukken dat zes procent geen automatische of wettelijk verplichte tariefverhoging is. Het gaat om een indicatie van de kostenontwikkeling. De daadwerkelijke noodzakelijke prijsaanpassing verschilt per onderneming en hangt onder meer af van de personeelsopbouw, de contractafspraken, de reiskosten en de verhouding tussen loon- en overige kosten.
Ook de bestaande contracten verdienen aandacht. Sommige schoonmaakovereenkomsten bevatten duidelijke bepalingen over jaarlijkse indexering. Bij andere contracten moet een tariefaanpassing afzonderlijk met de opdrachtgever worden overeengekomen. Ondernemers die hierover pas in december het gesprek beginnen, kunnen tegen problemen aanlopen wanneer de nieuwe tarieven al op 1 januari moeten ingaan.
Opdrachtgevers moeten niet alleen weten hoeveel de schoonmaak duurder wordt, maar vooral waarom. Een ander aandachtspunt is de toenemende druk om meer werkzaamheden binnen hetzelfde budget uit te voeren. Wanneer een opdrachtgever een prijsverhoging afwijst, ontstaat soms de verleiding om minder uren in te zetten. Dat kan echter ten koste gaan van de kwaliteit, de werkdruk verhogen en uiteindelijk leiden tot ontevreden medewerkers en klanten.
Voor kleinere schoonmaakbedrijven is het daarom van belang niet uitsluitend op prijs te concurreren. Betrouwbaarheid, continuïteit, persoonlijke betrokkenheid en kwaliteit zijn eveneens belangrijke argumenten in het gesprek met opdrachtgevers.
Branchevereniging SIEV vertegenwoordigt juist veel kleinere en middelgrote schoonmaakondernemingen. Word daarom snel lid. Voor deze werkgevers is een gezonde verhouding tussen kosten en opbrengsten essentieel om te kunnen blijven investeren in personeel, opleidingen en de kwaliteit van de dienstverlening. Een lidmaatschap van SIEV, waar sprake is van veel kennisoverdracht en het delen van ervaringen, helpt daar zeker bij.
Met het oog op 2027 is het belangrijk dat ondernemers hun kostprijsberekeningen tijdig actualiseren en hun opdrachtgevers duidelijk informeren over de gevolgen van de nieuwe cao-afspraken en andere lastenverzwaringen. SIEV zal hierover in ieder geval blijven publiceren.
Tekst: Redactie SIEV Dagblad.